Hoe gaat Stadermann Luiten om met het coronavirus? Lees meer

HR 27 maart 2020 ECLI:NL:HR:2020:531

De kopers van nieuwbouwwoningen veronderstelden bij het aangaan van de koopovereenkomst dat hun woningen volledig duurzaam zouden worden verwarmd. Nadat na oplevering is gebleken dat dit niet haalbaar is, stellen zij de projectontwikkelaar aansprakelijk voor de door hen geleden schade.  De projectontwikkelaar verweert zich met een beroep op een vervalbeding uit de algemene voorwaarden: op grond van dit beding is een rechtsvordering die 5,5 jaar na de datum van oplevering wordt ingesteld niet-ontvankelijk. De voorliggende rechtsvraag is of dit vervalbeding onredelijk bezwarend is. De Hoge Raad zet uiteen dat onderscheid moet worden gemaakt tussen een vervaltermijn en een verjaringstermijn, nu verval van recht en verjaring twee verschillende rechtsfiguren zijn. Op grond van art. 6:236 sub g BW (de zwarte lijst) worden bedingen uit de algemene voorwaarden geacht onredelijk bezwarend te zijn die een wettelijke verjaringstermijn verkorten tot een verjaringstermijn van minder dan één jaar en op bedingen die een wettelijke vervaltermijn verkorten tot een vervaltermijn van minder dan één jaar. Art. 6:233 sub a BW (een concrete toetsing van de ‘onredelijk bezwarend’-maatstaf op basis van de omstandigheden van het geval) is van toepassing op bedingen uit algemene voorwaarden die een wettelijke verjaringstermijn verkorten tot een verjaringstermijn van één jaar of meer en op bedingen die een wettelijke vervaltermijn verkorten tot een vervaltermijn van één jaar of meer. Op grond van art. 6:237 sub h BW (de grijze lijst) worden alle overige vervalbedingen tot slot vermoed onredelijk bezwarend te zijn, waartoe ook vervalbedingen behoren die een wettelijke verjaringstermijn vervangen: zogeheten ‘kruislingse verkorting’.

Print

27 maart 2020

ECLI:NL:HR:2020:531