Hoe gaat Stadermann Luiten om met het coronavirus? Lees meer

HR 17 juli 2020 ECLI:NL:HR:2020:1308

Een eigenaar verhuurt zijn pand en de huurder verhuurt het onder aan een onderhuurder. Het pand wordt door brand verwoest, vermoedelijk omdat de onderhuurder wiet heeft gekweekt in het pand, dat niet tegen brand was verzekerd. De eigenaar geeft een advocaat opdracht om de brandschade, bestaande uit sloop- en herbouwkosten alsmede gederfde huurinkomsten, op de onderhuurder te verhalen. De advocaat stelt een conceptdagvaarding op, maar brengt deze niet uit en laat de vordering verjaren. De eigenaar spreekt de advocaat op grond van art. 6:74 BW aan tot schadevergoeding. De advocaat erkent een beroepsfout te hebben gemaakt, maar voert drie verweren, namelijk dat de procedure tegen de onderhuurder geen kans van slagen had gehad (i), dat een eventuele veroordeling van de onderhuurder niet verhaalbaar zou zijn geweest (ii) en dat de eigenaar zijn schade voor wat betreft de gederfde huurinkomsten had moeten beperken door spoedig na de brand te herbouwen (iii). Het Hof oordeelt dat de onderhuurder in een procedure naar alle waarschijnlijkheid aansprakelijk zou zijn gehouden (i) en merkt het tweede en derde verweer aan als zelfstandige verweren waarvan de advocaat de stelplicht en bewijslast (en daarmee het bewijsrisico) draagt (ii en iii). Omdat de advocaat onvoldoende heeft ingebracht tegen de gemotiveerde betwisting door de eigenaar, komt het Hof niet toe aan bewijslevering door de advocaat en verwerpt de beide verweren, zodat de eigenaar zijn volledige schade op de advocaat kan verhalen. De Hoge Raad oordeelt dat het ‘onverhaalbaarheidsverweer’ (ii) geen zelfstandig verweer is, maar een betwisting van het door art. 6:74 BW vereiste causaal verband tussen de tekortkoming en de gevorderde schade. Op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv. moet de eigenaar de feiten stellen en zo nodig bewijzen, waaruit volgt dat de door hem geleden schade het gevolg is van de beroepsfout. Daartoe moet de eigenaar aantonen dat de schade wel verhaalbaar was geweest op de onderhuurder. Het verweer ten aanzien van de schadebeperkingsplicht (iii), een eigen schuld-verweer ingevolge art. 6:101 BW, heeft het Hof wel terecht aangemerkt als een zelfstandig verweer waarvan de stelplicht en bewijslast op grond van art. 150 Rv. op de advocaat rust. Volgens de Hoge Raad heeft het Hof terecht geoordeeld dat de advocaat onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat en hoe de eigenaar al eerder had kunnen herbouwen, nu de eigenaar dit gemotiveerd had betwist.

Print

17 juli 2020

ECLI:NL:HR:2020:1308