Hoe gaat Stadermann Luiten om met het coronavirus? Lees meer

HR 19 juni 2020 ECLI:NL:HR:2020:1090

In deze prejudiciële procedure beantwoordt de Hoge Raad vragen over de aansprakelijkheid van een ziekenhuis voor de schade als gevolg van het inbrengen van een gebrekkig PIP-implantaat. Het PIP-implantaat werd in 2000 wereldwijd veelvuldig in ziekenhuizen toegepast. Als gevolg van fraude zijn er PIP-implantaten op de markt gebracht die niet gevuld waren met medicinale, maar met industriële siliconen. In deze concrete zaak stond echter niet vast dat het bij de benadeelde ingebrachte PIP-implantaat industriële siliconen bevatte, maar wel dat het PIP-implantaat ondeugdelijk was vanwege een verhoogde kans op scheuren en lekken. De Hoge Raad oordeelt dat het gebruik van een PIP-implantaat dat was gevuld met industriële siliconen, volgens de op het moment van het gebruik ervan heersende medische inzichten ongeschikt was en niet voldeed aan de wettelijke normen. Het gebruik van een dergelijk PIP-implantaat levert daarom een tekortkoming (ex art. 6:74 BW) op van de op de hulpverlener rustende verbintenis. Het gebruik van een PIP-implantaat dat niet was gevuld met industriële siliconen, maar dat wel een verhoogde kans had op scheuren en lekken levert in beginsel een tekortkoming op, behalve als een dergelijk implantaat naar de op het moment van het gebruik ervan heersende medische inzichten ‘state of the art’ was. De bewijslast voor dit bevrijdende verweer rust op de hulpverlener. Verder overweegt de Hoge Raad dat art. 6:77 BW meebrengt dat een tekortkoming die het gevolg is van ongeschiktheid van een bij de uitvoering van de verbintenis gebruikte zaak in beginsel toerekenbaar is aan de schuldenaar, tenzij dit op grond van de omstandigheden van het geval onredelijk is. Een tekortkoming wegens het gebruik van een als gevolg van fraude ongeschikt PIP-implantaat is volgens de Hoge Raad niet aan de hulpverlener toe te rekenen, omdat het ging om grootschalige en ernstige fraude, waarbij de eventuele deskundigheid van de hulpverlener geen rol speelde. Bovendien zou het aannemen van aansprakelijkheid voor dit soort gevallen tot een grote hoeveelheid claims leiden waarvoor de hulpverlener zich slechts in beperkte mate kon verzekeren en waarvoor regres op de producent van de PIP-implantaten onmogelijk was, omdat deze producent gefailleerd was.

Print

19 juni 2020

ECLI:NL:HR:2020:1090