Hoe gaat Stadermann Luiten om met het coronavirus? Lees meer

HR 15 mei 2020 ECLI:NL:HR:2020:889

Aanvangsmoment van de verjaring van een regresvordering in de zin van art. 7:961 BW, in het bijzonder wanneer op verschillende momenten betalingen aan de verzekerde zijn verricht. Een ziekenhuis is aansprakelijk voor de schade die een patiënt heeft geleden als gevolg van een beroepsfout van de behandelend arts. Reaal heeft als voormalig aansprakelijkheidsverzekeraar van het ziekenhuis coulancehalve drie uitkeringen gedaan: twee voorschotbetalingen in 2001 en 2005 en een slotuitkering in 2006. Zij meent echter dat niet zij, maar Centraal Beheer (als opvolgend aansprakelijkheidsverzekeraar van het ziekenhuis) gehouden is om de volledige schade te vergoeden. Reaal probeert daarom voor de slotuitkering uit 2006 regres te nemen op Centraal Beheer; van de eerste twee voorschotbetalingen staat vast dat deze verjaard zijn. Centraal Beheer voert verweer en doet daarbij onder meer een beroep op verjaring. In cassatie staan twee rechtsvragen centraal: (i) wat is het ontstaansmoment van een regresvordering ex art. 7:961 lid 3  BW? (ii) wanneer vangt de verjaringstermijn van zo’n regresvordering aan, in het bijzonder als de regresnemend verzekeraar op verschillende momenten betalingen aan de verzekerde heeft verricht? De Hoge Raad herhaalt zijn leer uit ASR/Achmea (ECLI:NL:HR:2012:BU3784) en oordeelt dat een regresvordering in de zin van art. 7:961 lid 3 BW ontstaat op het moment dat een verzekeraar de schade van de verzekerde vergoedt voor meer dan zijn deel. Een regresvordering is een vordering tot schadevergoeding in de zin van art. 3:310 BW en verjaart  door het verloop van vijf jaren na aanvang van de dag, volgende op de dag waarop de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de aansprakelijke persoon. Daarbij geldt dat de verjaringstermijn niet eerder kan gaan lopen dan op de dag nadat de vordering opeisbaar is geworden, omdat de benadeelde dan pas daadwerkelijk in staat is om de vordering in te stellen. Het voorgaande brengt mee dat de verjaringstermijn van iedere afzonderlijke regresvordering ex art. 7:961 lid 3 BW start op de dag waarop de desbetreffende vordering is ontstaan én opeisbaar is geworden. Voor iedere separate deelbetaling is dus een separate regresvordering ontstaan, waarvoor een separate verjaringstermijn is gaan lopen. De regresvordering van Reaal voor de slotuitkering uit 2006 werd (anders dan de regresvorderingen van de voorschotbetalingen uit 2001 en 2005) tijdig gestuit en is dus niet verjaard.

Print

15 mei 2020

ECLI:NL:HR:2020:889