Hoe gaat Stadermann Luiten om met het coronavirus? Lees meer

HR 31 januari 2020 ECLI:NL:HR:2020:150

Een man en zijn echtgenote bezitten samen een paard. Tijdens een rit met een koets, waarbij de vrouw als koetsier optreedt en de man als haar assistent, raakt de man ernstig gewond door toedoen van het onrustig geworden paard. Uitgangspunt is dat de vrouw, die in hoedanigheid van koetsier is verzekerd op een collectieve koetsiersverzekering, geen fout heeft gemaakt en dat het ongeval uitsluitend door de eigen energie van het paard is veroorzaakt. De man dagvaardt zijn vrouw en de verzekeraar en vraagt een verklaring voor recht dat zij aansprakelijk zijn voor de door hem geleden schade op grond van art. 6:179 BW. Daarbij betoogt de man dat er in dit concrete geval aanleiding bestaat om af te wijken van het arrest HR 29 januari 2016 ECLI:NL:HR:2016:162. Daarin oordeelde de Hoge Raad dat de zogenoemde Hangmatjurisprudentie (HR 8 oktober 2010 ECLI:NL:HR:2010:BM6095) niet van toepassing is tussen medebezitters van dieren, zodat art. 6:179 BW geen risicoaansprakelijkheid vestigt jegens medebezitters. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep op grond van art. 81 RO. De Procureur Generaal wijst er in zijn conclusie op dat de beslissing van de Hoge Raad uit 2016 principieel en categorisch is geformuleerd, terwijl van nieuwe ontwikkelingen in recht en samenleving die kunnen rechtvaardigen dat alsnog een andere keuze wordt gemaakt, op dit moment geen sprake is. In zijn eerdere arrest heeft de Hoge Raad zich gebaseerd op een afweging van meerdere belangen en omstandigheden en heeft vervolgens een algemene regel gegeven en dus niet een gevalsafhankelijke norm. Het is dan ook niet mogelijk om bij medebezitters van een dier in relatie tot art. 6:179 BW een beoordeling van geval tot geval te maken.

Print

31 januari 2020

ECLI:NL:HR:2020:150