Hoe gaat Stadermann Luiten om met het coronavirus? Lees meer

HR 29 mei 2020 ECLI:NL:HR:2020:986

Advocaat krijgt het verwijt dat hij de verjaring van een aan zijn cliënt gecedeerde vordering niet heeft gestuit, als gevolg waarvan die vordering is verjaard. Advocaat voert ter verweer onder meer aan dat het – achteraf bezien – niet van belang is dat hij de verjaring van de desbetreffende vordering niet heeft gestuit, omdat de cliënt – reeds vóór betrokkenheid van de advocaat – geen rechthebbende van deze vordering was (nu de in artikel 3:94 lid 1 BW bedoelde mededeling aan de schuldenaar niet was gedaan vóór het faillissement van diegene die de vordering aan de cliënt overdroeg) en stuiting door de advocaat dus zonder effect zou zijn geweest. Het Hof heeft deze stelling verworpen en de advocaat aansprakelijk gehouden, maar de Hoge Raad vernietigt dit oordeel. De Hoge Raad oordeelt dat de motivering van het Hof ontoereikend is; onderzoek door de advocaat naar de cessie en het bespreken van de resultaten daarvan, liet onverlet dat de advocaat de verjaring van de vordering niet namens de cliënt had kunnen stuiten nu de cliënt daarop geen rechthebbende was. Het verweer van de advocaat dat stuiting zinloos was geweest, slaagt derhalve. Advocaat niet aansprakelijk. De cassatiemiddelen van de cliënt tegen het oordeel van het Hof dat hij te laat over het niet stuiten had geklaagd – waardoor de advocaat was benadeeld omdat hij geen uitloopdekking op zijn beroepsaansprakelijkheidspolis was overeengekomen en de aanspraak van de cliënt daarom niet was gedekt – laat de Hoge Raad vervolgens buiten beschouwing nu hij reeds van oordeel is dat de advocaat niet aansprakelijk is.

Print

29 mei 2020

ECLI:NL:HR:2020:986