Hoe gaat Stadermann Luiten om met het coronavirus? Lees meer

HR 17 juli 2020 ECLI:NL:HR:2020:1315

Een schuldeiser stuurt een stuitingsbrief aan een vof ter attentie van de directie. De Hoge Raad oordeelt over de vraag of deze stuitingsbrief ook de verjaring van de vordering op de vennoot persoonlijk stuit. Een schuldeiser van een vof kan zijn vordering zowel geldend maken tegen de gezamenlijke vennoten (de vof), als tegen iedere vennoot afzonderlijk. Er is sprake van twee samenlopende vorderingsrechten, welke vorderingsrechten elk afzonderlijk verjaren. Voor elk van deze rechtsvorderingen dient te worden nagegaan of de verjaring tijdig is gestuit. Een stuitingsverklaring ‘jegens de vof’ moet in beginsel aldus worden uitgelegd dat deze ook als stuitingsverklaring is bedoeld met betrekking tot de vorderingen op de individuele vennoten. Er is volgens de Hoge Raad in het algemeen geen reden om aan te nemen dat een vennootschapscrediteur die door een aan de vof gerichte stuitingsverklaring zijn vordering op de vof handhaaft, daarmee niet tevens zijn daarmee samenlopende vorderingen op de individuele vennoten zou willen handhaven.

Print

17 juli 2020

ECLI:NL:HR:2020:1315