Hoe gaat Stadermann Luiten om met het coronavirus? Lees meer

HR 17 januari 2020 ECLI:NL:HR:2020:61

De curatoren van twee gefailleerde vennootschappen vorderen namens zowel deze vennootschappen als de gezamenlijke schuldeisers van die  vennootschappen een schadevergoeding van het advocatenkantoor dat in opdracht van die vennootschappen naar aanleiding van de verkoop van een vliegtuig de betalingsinstructie voor de koper van dat vliegtuig had opgesteld .  Het kantoor (en overigens ook de individuele advocaten) wordt namens de schuldeisers het verwijt gemaakt dat er onzorgvuldig en onrechtmatig is gehandeld door actief mee te werken aan de betaling aan een ander dan de (economisch) gerechtigden, zonder dat voor de betaling aan die derde een (kenbare en niet ondeugdelijke) rechtsgrond bestond. Namens de failliete vennootschappen werd het verwijt geuit dat de advocaten niet hadden gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht. Volgens de curatoren hadden de advocaten geen, althans onvoldoende, onderzoek gedaan naar de risico’s verbonden aan de betalingsomleiding en de benadeling van schuldeisers die daarvan het gevolg zou kunnen zijn, terwijl voor de risico’s en de mogelijke benadelende gevolgen niet was gewaarschuwd. Onder verwijzing naar de Advocatenwet (art. 10a lid, onder b), de wetgeschiedenis en eigen rechtspraak concludeert de Hoge Raad met betrekking tot de vordering van de vennootschappen dat een advocaat bij zijn dienstverlening met betrekking tot een voorgenomen financiële transactie geen rekening hoeft te houden met mogelijke belangen van derden, tenzij hij uit de hem door de cliënt verschafte gegevens of de overige omstandigheden van het geval redelijkerwijs behoort af te leiden dat zodanige, gerechtvaardigde, belangen door de van hem gevraagde dienstverlening op onaanvaardbare wijze kunnen worden geschaad. Dergelijke omstandigheden waren in dit geval niet vastgesteld. Met betrekking tot de vordering namens de schuldeisers oordeelt de Hoge Raad dat het oordeel van het Hof geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting noch onbegrijpelijk was gemotiveerd waar werd geoordeeld dat de advocaat niet wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat de gewraakte handelingen of advisering zouden leiden tot benadeling van de (gezamenlijke) schuldeisers van zijn cliënt.

Print

17 januari 2020

ECLI:NL:HR:2020:61